Hellenistische kunst

Hellenistische kunst

In 336 voor Christus begon Alexander de Grote aan zij veroveringen van het Midden-Oosten en Egypte. Tijdens de tochten namen ze de Griekse cultuur met zich mee. Andersom werden zij beïnvloedt door de oriëntaalse cultuur. Deze mengcultuur bracht de Hellenistische kunst voort. Na de dood van Alexander de Grote viel zijn rijk uiteen, maar de culturele invloed van Griekenland in dit gebied was blijvend. Dit proces van ‘hellenisering’ werd nog eens versterkt door de Romeinen, die vanaf de eerste eeuw voor Christus de Griekse kunsttraditie over het Middellandse Zeegebied verspreidden. De Hellenistische kunst dat ontstond tussen circa 300 en 1 voor Christus, bouwt voort op de klassieke periode waarbij het realisme het belangrijkste uitgangspunt is. Echter, er zijn ook belangrijke verschillen. Daar waar de Griekse kunst ingetogen is, maakt de Hellenistische kunst plaats voor beweging en drama. Ook de drang om de oorlogsoverwinningen expressiever uit te beelden kenmerkt deze stijl. Door meer technische kennis en vaardigheden durfden beeldhouwers meer te experimenteren. Het probleem van dramatische verbeelding met al zijn bewegingen, uitdrukkingen en spanning, zette de kunstenaar ertoe te tonen waartoe hij in staat was. Als we meer willen weten over het karakter van de schilderkunst moeten kijken naar de muurschilderingen en mozaïeken van Pompeï, een Romeinse stad die in 79 na Christus onder as werd bedolven. Andere overblijfselen uit de Hellenistische periode zijn er amper. De schilders van de huizen van Pompeï maakten gebruik van de voorraad vondsten van de grote Hellenistische kunstenaars. Alledaagse onderwerpen en objecten en de genoegens van het buitenleven waren voorkomende onderwerpen.